Almere Buiten leest poëzie van Hein Walter

Op 29 april 2011 ben ik dit project begonnen. Op die dag hebben de eerste jongens een gedicht van mij voorgedragen.
Het gedicht Zwart uit de bundel 'Op de achtste dag' was het eerste gedicht.
Ik ga van tijd tot inwoners uit Almere Buiten vragen om een gedicht van mij voor te dragen;
ik neem met een handcamera de voordracht op.
Op die manier leren ze mij kennen, ik kom met ze in contact, we wisselen elkaars e-mailadres uit,
zij komen op een ontspannen en onverwachte manier met poëzie in aanraking.
Zo speelt poëzie een bindende rol.

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Ik weet niet precies waarom, maar de filmpjes zijn wel met de browser Google Chrome, te zien, ook met Internet Explorer, ook met Firefox, maar niet met Opera. Dus als de blokjes zwart blijven....probeer een andere browser!

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------



Simon Crijns droeg op 10 mei 2011 het gedicht 'Vincent van Gogh' voor (uit de bundel 'Zonder Titels')

Vincent van Gogh

Ik ben geen god, geen god
in Frankrijk, maar een man als u en ik.

Ik ben Van Gogh, u kent mijn kop
zo door en door – mijn rode oor –

en ziet daarin een heilig lijden.
Toch – u kent niet mij alleen.

De eenzaamheid die in mijn ogen
ligt verborgen is niet anders

dan de weemoed die ook leeft
in u en mij, ik ben een spiegel

die het licht toont dat ik vond.
U ziet hoe zwaar dat is.

Vincent van Gogh (1853 – 1890) was schilder.

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Kay Renshoff droeg op 10 mei 2011 het gedicht 'Heinrich Olbers' voor (uit de bundel 'Zonder Titels')

Heinrich Olbers

Ergens daar,
achter wolken en dampkring,

gaat ze in donker,
mijn liefste komeet.

Ik zag haar in 1815,
met haar geweldige omloop

van 72 jaar.
Ze was voor mij bestemd.

Ik kon er niet van slapen
dat ze verder moest.

Ik zie haar niet meer terug,
maar ik weet hoe ze gaat

in haar baan om mij heen,
altijd schrijdend in wit,

met haar trouwsleep
van stof en gesteente.

 

Heinrich Olbers (1758 1841) was sterrenkundige. Hij ontdekte o.a. 6 kometen.

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Christian van Elven droeg op 9 mei 2011 het gedicht 'Twee mannen in een gedicht' voor (Uit de bundel 'Op de achtste dag')

Twee mannen in een gedicht

Jeetje, het is heel anders.
Wat had je dan verwacht?
Ik weet niet, oude zooi, of zo.
Het ziet er inderdaad wel behoorlijk uit.
Kijk, verdomd, het is echt een gedicht.
Kijk hier.
Ja, natuurlijk, dat stond er toch.
Ja, doe jij even alsof je alles al weet.
Jij had toch ook nooit eerder een gedicht van binnen gezien.
Nee, maar het verbaast me niet.
Nou, ik vind het behoorlijk anders.
Het ziet er helemaal niet ingewikkeld uit.
Wie zegt dat dit een moeilijk gedicht is!
Ach, kom, alle gedichten zijn moeilijk.
Nou, deze blijkbaar niet.
Van binnen niet, nee.

Van wie is het eigenlijk?
Marsman, of zo?
Nee, joh, die is allang dood.
Nou en, zijn gedichten toch niet.
Wijsneus.
Nee, Marsman kan niet.
Die zijn niet te lezen.
Van wie dan?
Weet ik veel.
Misschien is het helemaal niet beroemd.
Wat bedoel je?
Nou, ik bedoel, misschien is het wel van een zondagsdichter.
Daar gaat toch geen hond naar binnen.
Het zou toch best kunnen.
Dit is veel te makkelijk; Marsman zou het ingewikkelder maken.
Dit is toch geen echte poëzie.
Zie je dat! Daar. Nou weet ik het zeker.
Getver, je hebt gelijk.
Doen we een keer aan poëzie,
is het zondags  rotgedicht.
Ik dacht het al meteen eigenlijk.
Jezus, zitten we hier een beetje onze tijd te verdoen.
Het stinkt hier ook nog eens even; ruik je het?
Ik wil d’r uit.
Ja, snel, wegwezen hier.
Hoe moet je er eigenlijk uit?

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Conny Kaper droeg op 9 mei het gedicht 'Genesis – het beheer van het paradijs' voor (Uit de bundel 'Op de achtste dag').

Genesis – het beheer van het paradijs

Op de achtste dag, goed uitgerust,
keek God naar Adam en Eva in hun paradijsje
en aanschouwde hun gezonde gezichten.
Hij glimlachte voldaan.
Op de negende dag wierp God een vluchtige blik
op het groen
en vond dat het goed ging.
Maar toen Hij de tiende dag opnieuw keek,
schrok Hij zich het apelazarus: het ging volkomen mis.
De grond van het paradijs
was blijkbaar ongelooflijk vruchtbaar,
de zon zo weldadig en de dauw in de morgen
zo verkwikkend dat het struikgewas
was doorgeschoten en de paden overwoekerd.
Het haar van Eva was vervlochten met klimop
en het kostte al haar kracht om zichzelf
ervan te verlossen.
Adam vocht met een uit de hand gelopen berenklauw.
God zag dat het helemaal niet goed ging
en nam een rib uit Eva’s lijf
en maakte daar een tuinman van.
Hij gaf hem groene vingers en sprak:
leef, tuinman, en zorg voor het paradijs
alsof het je kind is.
Op de elfde dag begon de tuinman
met het snoeien van de rozen en het maaien
van het gras en God hoopte
dat het nu wel weer oké was,
maar meteen de dag erop kwam de tuinman bij God
en klaagde dat het groen teveel was
en geen doen voor hem alleen.
God sprak met zilveren wijsheid:
bouw huizen, leg stenen.
Daar waar gebouwd is zal niets groeien.
Maar ik ben een tuinman, zei de tuinman,
geen bouwvakker!
Toen nam God een rib uit het lijf van de tuinman
en maakte een paar bouwvakkers.
Hij maakte meteen evenveel vrouwen,
want God wist dat bouwvakkers niet zonder konden.
God zei tegen de tuinman:
laat hen wonen in wat ze gebouwd hebben.
Onderhoud jij het groen dat eromheen is.
Geef mij meteen nog een paar van je ribben,
dan flans ik er een paar extra bewoners bij.
Op de dertiende dag
kwamen de bouwvakkervrouwen bij God
en ze riepen: God, we zijn voor een doel geschapen
en we zullen onze plicht vervullen.
Maar voor wat hoort wat!
Er is veel te veel groen in onze buurt!
We willen winkels en terrasjes voor onze kerels.
Dat struikgewas is voor mannen met ringbaardjes.
God zuchtte en begreep dat het niet eenvoudig was
om iedereen tevreden te stellen.
Tegelijkertijd kwam er een zooitje ongeregeld
bij Zijn troon
schande schreeuwend van de bomen die werden gekapt.
Een tweede massa schreeuwde moord en brand
vanwege letselschade opgelopen door gevallen takken.
Eentje was gevallen over een boomstronk
en riep dat hij God voor het gerecht zou slepen,
tot bij het laatste als het zou moeten.
Een derde groep riep hel en verdoemenis,
gewoon omdat het leven klote was.
God keek vertwijfeld om zich heen
op zoek naar de tuinman,
op zoek naar orde en liefde,
en stamelde iets over samen
maar er was niemand die hem helpen kon.

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Wilmon Refos droeg op 29 april 2011 het gedicht 'Zwart' voor (Uit de bundel 'Op de achtste dag').

Zwart

De zwarte handen van de nacht
trekken zwarte sporen
door de zwarte straten, over zwarte
stenen, zwarte stroken, struiken,
over zwarte rozen.
En de zwarte huizen staan massief
met dichte ramen die alleen
maar zwart weerkaatsen,
machteloos afwachtend in de zwarte adem
van morsdode kathedralen vol met zwarte kaarsen
en kantoren die tot in de punten zijn geblakerd.
Binnen liggen mensen in hun ebbenhouten bedden.
Wie niet zwaar en malend ligt te tobben,
slaapt een zwarte, zwarte slaap.
Niemand vindt er licht.
De mensen dromen dicht van zwarte ogen
en zwart zonlicht.
Wie niet wakker is, wil doodgaan.

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

A. K. Riezebos droeg op 29 april 2011 het gedicht 'De Droom' voor (Uit de bundel 'Op de achtste dag').

De droom

Er kwam aan de deur
een man aan de deur
een handelaar in dromen
wilt u een droom, meneer
wilt u geen droom
hij zei me dat hij mooie had
een mooie had van vroeger
een mooie had van toen voor straks
als al het licht gaat liggen
als ogen dicht niks kunnen
een droom misschien
voor zwarte nachten
een droom met blauw en groen
of een van moeder die kan lopen
ze loopt niet weg, meneer
niet uit de droom, meneer
ze doet echt wat u zegt.
Ach, eentje dan
die ene dan
van moeder die kan lopen
dat lijkt me mooi
een mooie droom
dat moeder weer kan lopen.

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

           

Carsi Baroosa droeg op 29 april 2011 het gedicht 'Bij het uitbreken van een oorlog' voor (Uit de bundel 'Op de achtste dag')

Bij het uitbreken van een oorlog

Wij staan doodlopend
met ogen vol tanden en tossen
de kop van jut om het nu
of nooit en torsen een toekomst
met scheve monden recht.

Als wij zwijgen om vrede
en zoeken de nacht in de grond, de pikzwarte
modder die gloednieuwe koeien doet loeien,
doet optrekken de mist voor de zon,

staan zij tot de tanden
in droogte gewapend met niets
dan verleden verscholen in zonlicht en klaar
voor het einde.

Zij lopen doodstaand
met handen vol donker
want oog om oog en wij
zien alles in beeld als God
op de stoel in de kamer
met eten op schoot.